
Advertise on podcast: Koinonia Bijbelstudie Live
Rating
4from
This podcast has
502 episodes
Language
DutchPublisher
Robbert VeenExplicit
No
Date created
2018/06/13
Latest episode
2026/07/29
Average duration
11 min.
Release period
13 days
Description
Onder naam KOINONIA BIJBELSTUDIE verzorg ik regelmatig bijbelstudies en beschouwingen over het kerkelijke leven. Soli Deo Gloria! Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
Unlock Koinonia Bijbelstudie Live podcast Email contact info,
Listeners & Audience details
Email contact information
Direct podcast contact details

Listeners
Audience numbers & engagement insights

Audience details
Podcast Insights

Social media
Check Koinonia Bijbelstudie Live social media presence
Podcast episodes
Check latest episodes from Koinonia Bijbelstudie Live podcast
The False Accusation of Genocide Against Israel
2026/07/29
A UN commission reported last year that Israel had “committed genocide against the Palestinian population in the Gaza Strip,” arguing that Israeli military operations caused unprecedented harm to children. The report cites Hamas‑run casualty figures claiming 20,000 children killed and 44,000 injured since October 7, 2023, along with allegations of torture, disappearances, and sexual violence against minors in detention.Israel rejects the report entirely, calling it defamatory and biased. Officials say the IDF consistently tries to minimize harm to children, pointing to medical access, vaccinations, and field hospitals. Israel also refused to cooperate with the Commission, arguing it would not receive fair or non‑discriminatory treatment, meaning the report was produced without Israeli input or access to Gaza.Independent critics raise methodological objections. UN Watch, a Geneva‑based NGO, argues the Commission relies heavily on uncorroborated witness statements, draws conclusions about intent without forensic evidence, and devotes disproportionate attention to Israeli actions while giving little space to Hamas’s attacks. They also note that casualty numbers come from Hamas‑run health agencies, not independent verification, and that the Commission’s terminology—such as “settler violence”—generalizes all Israeli residents of the West Bank based on extremist minorities.Some commentators challenge the genocide framing itself. One argument, quoted in the Jerusalem Post, claims that even Hamas’s own figures—20,000 child deaths, roughly 1.7% of Gaza’s child population—do not meet the threshold for genocide. Others say the report provides no specific evidence of deliberate targeting of children.Earlier critiques of the Commission were even sharper, accusing it of relying on anonymous testimonies, ignoring Hamas’s October 7 attacks, and producing reports in which more than 90% of the content condemns Israel. Some commentators describe the genocide accusation as a form of “blaming the victim,” comparing it to historical blood libels and framing it as part of a propaganda war against Israel.
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
Het dubbele verhaal van de verspieders - preek
2026/06/14
Wanneer wij luisteren naar het verhaal van de verspieders, horen wij een verhaal dat de Tora niet één keer vertelt, maar twee keer. En de rabbijnen zeggen: wanneer de Tora iets herhaalt, is het niet omdat wij het vergeten zijn, maar omdat wij het nog niet diep genoeg hebben verstaan. In Numeri horen wij het verhaal zoals het gebeurde. De Eeuwige zegt: “Stuur voor jezelf mannen.” Rashi zegt: dit is geen gebod, maar een concessie. God zegt: als jullie niet kunnen vertrouwen zonder te zien, ga dan maar zien. Bamidbar Rabba vergelijkt dit met een koning die zijn zoon een geschenk wil geven, maar de zoon zegt: “Laat mij eerst kijken of het wel goed is.” De koning antwoordt: “Ik weet dat je het niet aankunt, maar als je het wilt, ga dan.” De midrasj zegt: zo was het met Israël. God wist dat de missie hen zou breken, maar Hij liet hen gaan omdat vertrouwen niet kan worden opgedrongen.En dan gaan de twaalf verspieders. De midrasj vertelt dat zij bij Chevron kwamen, waar de reuzen woonden, en dat God hen juist daarheen leidde om hen te laten zien dat zelfs de grootste vijanden sterfelijk zijn. Maar de verspieders zagen niet wat God wilde dat zij zagen. Bamidbar Rabba zegt: “Zij zagen, maar zij zagen niet.” Zij zagen de reuzen, maar niet de God die hen uit Egypte had geleid. Zij zagen de muren, maar niet de wolk die hen omhulde. Zij zagen de vrucht van het land, maar niet de vrucht van de belofte.De midrasj vertelt zelfs dat God de bewoners van het land op dat moment in rouw dompelde, zodat de verspieders ongezien konden rondtrekken. Maar de verspieders interpreteerden dit verkeerd en zeiden: “Het is een land dat zijn bewoners verslindt.” De rabbijnen zeggen: dit is de tragedie van angst — zij verdraait zelfs de tekenen van bescherming tot tekenen van gevaar.En dan komt die ene zin: “Wij kunnen niet optrekken, want zij zijn sterker dan wij.” Rashi zegt: lees het ook als: sterker dan Hij. De midrasj hoort hierin een fluistering van ongeloof, een moment waarop de angst zo groot wordt dat zelfs de herinnering aan de wonderen vervaagt.Maar dan horen wij het verhaal opnieuw in Deuteronomium. Mozes staat op de drempel van het land en kijkt terug. En hij vertelt het anders. Hij zegt niet: “God zei: stuur mannen.” Hij zegt: “U kwam naar mij toe en zei: laten wij mannen uitsturen.” De midrasj in Sifrei Devarim zegt dat Mozes hiermee de wortel van de zonde blootlegt: het was niet de missie die verkeerd was, maar het hart dat haar voortbracht. De angst was er al vóór de verspieders gingen. De mislukking begon niet bij hun verslag, maar bij het verlangen om zekerheid te hebben voordat men kon vertrouwen.Mozes zegt zelfs: “Het voorstel beviel mij.” De rabbijnen vragen: hoe kon Mozes dit goed vinden? En zij antwoorden: omdat zelfs de grootste leider soms meegaat in de angst van het volk. De midrasj zegt: “Mozes werd meegesleept door hun twijfel, zoals een mens wordt meegesleept door een sterke stroom.” Het is een pijnlijke, maar eerlijke erkenning: leiderschap is niet immuun voor de angst van de gemeenschap.Er is een verhaal uit onze eigen traditie dat dit pijnlijk en eerlijk laat zien. Aan het einde van zijn leven stond Menno Simons voor een keuze die hem zijn hele bestaan had gevormd: de eenheid van de gemeente bewaren, of weerstand bieden aan een besluit waarvan hij diep van binnen wist dat het te ver ging.De meniste gemeenten waren in die tijd verscheurd door angst. Angst voor verwatering, angst voor afwijking, angst dat de jonge beweging uiteen zou vallen. En in die angst werd de ban — de meiding — steeds strenger uitgelegd. Niet alleen als tuchtmiddel, maar als totale sociale uitsluiting. Een zware, harde vorm die het leven van mensen brak.Menno zelf had deze radicale vorm nooit gewild. Zijn eigen geschriften tonen een mildere, pastorale visie. Maar de gemeenschap om hem heen dreef in een andere richting. De druk was groot. De leiders om hem heen waren bang dat elke nuance, elke verzachting, elke pastorale uitzondering de gemeente zou splijten. En Menno, moe van jaren van strijd, voelde die angst in zijn eigen hart binnendringen.De kronieken vertellen dat hij uiteindelijk instemde met een zware ban die hij eigenlijk niet kon dragen. Hij deed het, zo zei hij later, “om de vrede van de gemeente te bewaren.” Maar het was een vrede die hem innerlijk brak. Want hij wist dat deze uitleg van de ban verder ging dan de geest van Christus die hij zijn hele leven had willen volgen.Later, toen de storm was gaan liggen, sprak hij openlijk zijn spijt uit. Hij zei dat hij had toegegeven aan de druk van de gemeenschap, dat hij had gehandeld uit zorg voor de eenheid, maar dat hij daarmee iets had toegestaan wat zijn eigen geweten niet volledig kon dragen.En de traditie bewaart dat moment niet om Menno te veroordelen, maar om ons iets te leren: zelfs de grootste leiders, zelfs de zachtste herders, zelfs de meest standvastige getuigen kunnen worden meegesleept door de angst van de gemeenschap. Leiderschap staat niet boven de angst; het staat er middenin. En juist daarom is het zo kwetsbaar.Het verhaal van Menno is geen schaduw op zijn nalatenschap. Het is een licht dat laat zien hoe menselijk leiderschap is. Hoezeer zelfs de meest toegewijde dienaren van God kunnen wankelen wanneer de gemeenschap bang wordt. En hoe belangrijk het is dat wij niet alleen bidden voor onze leiders, maar ook waken over de angst die wij als gemeenschap in hun hart kunnen leggen.Terug naar Deuteronomium. Daar spreekt Mozes die ene zin die als een diagnose klinkt: “U wilde niet optrekken.” Niet: u kon niet. Niet: u durfde niet. Maar: u wilde niet. De midrasj zegt: dit is de kern van het menselijk falen — niet dat wij niet kunnen, maar dat wij niet willen geloven dat wij kunnen.Gemeente, de Tora vertelt het verhaal twee keer omdat wij twee manieren van zien nodig hebben. Numeri laat ons de angst zien zoals zij voelt: rauw, overweldigend, onmiddellijk. Deuteronomium laat ons de angst zien zoals zij werkelijk is: een keuze, een weigering, een innerlijke beweging die wij kunnen herkennen en omkeren.De midrasj zegt dat de nieuwe generatie het verhaal moest horen “zoals een arts de wond opent om haar te genezen.” Niet om te beschuldigen, maar om te helen. Want ieder mens kent zijn eigen verspieders. Ieder mens kent de stemmen die zeggen: “Wij kunnen niet opgaan.” En ieder mens kent ook de verleiding om te zeggen: “Wij willen niet opgaan.”Maar de Tora laat ook de andere stemmen horen. De stem van Kaleb, die zegt: “Wij zullen zeker opgaan.” De midrasj zegt dat Kaleb naar Chevron ging om te bidden bij het graf van de aartsvaders, om kracht te vinden tegen de angst. En de stem van Jozua, die volgens de midrasj beschermd werd door het gebed van Mozes: “Moge God jou redden van het complot van de verspieders.” De rabbijnen zeggen: niemand overwint de reuzen van buiten zonder eerst de reuzen van binnen te overwinnen.Moge het zo zijn dat wij leren luisteren naar de stemmen van Kaleb en Jozua in ons eigen hart. Dat wij leren zien zoals Mozes ons leert zien — niet alleen met de ogen van het moment, maar met de ogen van herinnering en vertrouwen. En dat wij, wanneer wij onze eigen Kanaäns naderen, niet blijven steken in de angst van Numeri, maar de moed vinden van Deuteronomium: de moed om te willen opgaan.
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
Preek over Lukas 18 - Dirkshorn
2026/06/07
Verkondiging in Dirkshorn 7 juni 2026.
Thems was: het elfde gebod "wees jezelf"een het evangelie van Lukas 18:6-9
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
Het bestaan van God in de Joodse traditie - Nederlands
2026/05/25
Nederlandse versie: het bestaan van God in de Joodse traditie.
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
Het bestaan van God in de Joodse traditie - in English
2026/05/25
Korte weergave van de belangrijkste Rabbijnse tradities rondom het bestaan van God - in de Midrasj Rabbah en in de Talmoed.
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
De 1632 Belijdenis van Dordrecht
2026/05/13
Zie ook: https://veenpreken.wordpress.com/2026/05/13/de-dordrechtse-geloofsbelijdenis-van-1632/
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
Preek ter gelegenheid van Elena's toetreding tot de Doopsgezinde Gemeente Schagen
2026/05/03
Er zijn van die momenten in de Schrift waarop je merkt dat God niet begint bij het centrum, maar bij de rand. Niet bij de vanzelfsprekenden, maar bij de vreemdelingen. Niet bij degenen die al binnen zijn, maar bij degenen die onderweg zijn, zoekend, tastend, luisterend naar een stem die hen roept. Wanneer we nadenken over toetreding tot de gemeente, over wat het betekent om deel te worden van het volk van God, dan komen drie verhalen naar voren die als een drieluik naast elkaar kunnen staan: de roeping van Abraham, de keuze van Ruth en de doop van de Ethiopiër. Drie mensen die niet passen in de categorie “wij horen hier van nature thuis”, maar die juist laten zien dat het volk van God bestaat uit mensen die vreemdeling zijn — en die juist daarom door God worden binnengehaald. Abraham is de eerste. Hij wordt geroepen om weg te gaan uit zijn land, zijn familie, zijn vertrouwde wereld. Hij wordt geroepen om vreemdeling te worden. Zijn identiteit wordt niet langer bepaald door waar hij vandaan komt, maar door de stem die hem roept. Hij weet niet waar hij uitkomt, maar hij weet Wie hem leidt. En zo wordt hij de vader van een volk dat zelf voortdurend vreemdeling zal zijn: in Kanaän, in Egypte, in de woestijn, in ballingschap. De wortel van het geloof ligt niet in bezit, maar in beweging. Niet in zekerheid, maar in vertrouwen. Niet in grenzen, maar in roeping. Abraham is de eerste vreemdeling in een lange rij van mensen die God niet roept omdat ze ergens thuishoren, maar omdat Hij hen een thuis wil geven. Ruth laat zien dat vreemdelingschap niet alleen iets is wat je overkomt, maar ook iets wat je kiest. Zij is een Moabitische vrouw, iemand die volgens de regels en tradities van Israël nooit vanzelfsprekend zou worden opgenomen. En toch spreekt zij woorden die misschien wel de meest radicale belijdenis van toetreding zijn in de hele Bijbel: uw volk is mijn volk, uw God is mijn God. Zij kiest ervoor om vreemdeling te zijn, om haar eigen land en goden achter te laten, om zich te verbinden aan een volk dat haar niet vanzelfsprekend zal ontvangen. En juist zij wordt opgenomen in de lijn van David, en uiteindelijk in de lijn van Jezus. De vreemdeling wordt drager van de belofte. De buitenstaander wordt binnenste. De rand wordt centrum. En dan is er de Ethiopiër in Handelingen. Een man van aanzien, maar ook iemand die aan de rand staat: geografisch, etnisch, religieus en zelfs lichamelijk. Hij leest Jesaja, maar begrijpt het niet. Hij zoekt, maar vindt de weg niet. Totdat Filippus naast hem gaat zitten. Niet boven hem, niet tegenover hem, maar naast hem. En in dat eenvoudige gebaar van nabijheid wordt het evangelie geopend. De Ethiopiër stelt de vraag die elke vreemdeling stelt wanneer hij de drempel van de gemeente nadert: wat verhindert mij? En het antwoord van de kerk is het antwoord van het evangelie zelf: niets. De weg is open. De vreemdeling wordt broeder. En hij gaat zijn weg met blijdschap. Wanneer je deze drie verhalen samen leest, ontstaat een beeld van de gemeente dat haaks staat op elke vorm van geslotenheid. De gemeente is geen erfgoed dat moet worden bewaakt, maar een huis dat voortdurend wordt uitgebreid. Geen vesting, maar een tent. Geen etnische of culturele eenheid, maar een gemeenschap van mensen die door God zijn geroepen, door liefde zijn getrokken en door genade zijn ontvangen. De identiteit van de gemeente ligt niet in wie wij waren, maar in wie wij worden door de roepstem van God. Wij zijn geen gemeenschap van mensen die er vanzelfsprekend bij horen, maar van mensen die onderweg zijn, die vreemdeling zijn, die geroepen zijn om anderen te ontvangen zoals wij zelf ontvangen zijn. En misschien is dat wel de diepste waarheid van het evangelie: dat God niet begint bij de mensen die denken dat ze binnen zijn, maar bij de mensen die weten dat ze buiten staan. Dat Hij niet zoekt naar zekerheid, maar naar openheid. Niet naar afkomst, maar naar verlangen. Niet naar bezit, maar naar vertrouwen. Abraham, Ruth en de Ethiopiër laten zien dat toetreding tot het volk van God geen administratieve handeling is, maar een geestelijke geboorte. Een nieuwe identiteit die niet wordt bepaald door waar je vandaan komt, maar door Wie je roept. En daarom is de gemeente een gemeenschap van vreemdelingen. Mensen die weten dat ze niet leven van hun eigen vanzelfsprekendheid, maar van Gods genade. Mensen die geroepen zijn om anderen te ontvangen zoals zij zelf ontvangen zijn. Mensen die weten dat het evangelie begint aan de rand, bij de vreemdeling, bij degene die vraagt: wat verhindert mij? En dat het antwoord van de kerk altijd moet zijn: niets. Want de God die Abraham riep, de God die Ruth ontving, de God die de Ethiopiër doopte, is dezelfde God die ons roept om een gemeenschap te zijn waarin vreemdelingen thuis mogen komen.
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
Choose the Light - from poem to psalm to musical
2026/04/13
The path of stars is opening to me;
my heart seeks You, O Light.
I lift my eyes toward the light
that You now let me see.
We often choose our own way
and lose the fire within.
But You call softly to my soul,
back to love, to light, to rest.
In me are dust and eternity,
a quiet flame from You.
You waken the light that dwells in me and
call me by my name.
So choose the path that love prepares,
that gentle path that forgives.
Guard my heart from every dark,
from all that draws me from You.
Who does not pardon loses the soul
and turns to stone in night.
But those who choose the light
are free and never walk alone.
O Lord, illumine my final step;
stay always close to me.
Lead me upon the way of grace
and make my heart anew.
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
Verkondiging tijdens het Vesper 31 maart Schagen
2026/03/31
Verkondiging over Johannes 12:12-26 en Jesaja 60:1-5
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
Noachidische geboden
2026/03/29
Een korte introductie tot de Noachidische Geboden
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
Onrustig is ons hart - verkondiging in Schagen 22 maart 2026
2026/03/22
Preek van 22/3 in de Vermaning in Schagen
In deze overdenking staat één vraag centraal: waar komt onze onrust vandaan, en hoe vinden we rust bij God? Vanuit Augustinus’ beroemde zin — “Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt bij U, o Heer” — wordt onderzocht hoe diep en veelzijdig menselijke onrust eigenlijk is. Niet alleen zorgen om gezondheid, familie of wereldproblemen, maar ook innerlijke verdeeldheid, zelftwijfel en geloofsverwarring.
De preek laat zien dat ons verlangen naar heelheid en compleetheid vaak botst met de werkelijkheid van een incompleet leven. Psalm 23 wordt daarbij een gids: rust is geen prestatie, maar een geschenk van de Herder die ons door duisternis heen draagt. “Mij ontbreekt niets” betekent niet dat we alles hebben, maar dat God niet ontbreekt.Een belangrijk thema is de stilte van God. Die stilte voelt soms als afwezigheid, maar wordt — met Heschel — juist geduid als de manier waarop God spreekt: een nabijheid zonder woorden, zoals iemand die zwijgend naast je zit aan een ziekbed. De sabbat wordt zo een oefening in ontvankelijkheid: stoppen met spreken, zodat Gods stille aanwezigheid hoorbaar wordt.
Het verhaal van Elia op de Horeb vormt de climax: God is niet in het spektakel van storm, vuur en aardbeving, maar in het zachte, nauwelijks hoorbare fluisteren van de avondwind. Dat fluisteren wordt een beeld voor Gods manier van nabij-zijn: niet overweldigend, maar uitnodigend, richtinggevend, troostend.De weg naar rust loopt via overgave en vertrouwen.
Door de stemmen van de wereld even stil te zetten, ontstaat ruimte om de zachte stem van de Vader te horen — de stem die zegt dat we niet alleen zijn, dat Hij meegaat, en dat ons hart uiteindelijk rust mag vinden in Hem.
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
Het project van de messias
2026/03/02
In deze aflevering onderzoeken we een radicaal andere kijk op Jezus: niet als de hemelse God-mens die vanaf het begin wist wat zijn missie was, maar als een Joodse leraar die bewust probeerde Messias te worden—en daarin tragisch faalde. Matteüs 4:1–11 vormt het vertrekpunt. In de drie verzoekingen kiest Jezus heel bewust tegen de populaire messiaanse verwachtingen van zijn tijd: hij weigert de rol van wonderbaarlijke voorziener, van spectaculaire tempelprofeet en van politieke bevrijder. Daarmee kiest hij een unieke, nederige en profetische weg, geïnspireerd door Jesaja’s lijdende dienaar.
Door zijn leven heen probeert Jezus deze zelfgekozen roeping te vervullen. Hij handelt symbolisch, grijpt terug op profetische beelden en probeert zo de Schrift in daden om te zetten. Maar zijn keuze brengt hem steeds verder in conflict met de menigten, de leiders en zelfs zijn eigen leerlingen. Uiteindelijk sterft hij aan het kruis, roepend: “Mijn God, waarom hebt U mij verlaten?”—een moment dat laat zien dat God zijn messiaanse aanspraak niet bevestigt.
Na zijn dood staan zijn volgelingen voor een probleem: hoe kan iemand Messias zijn als hij niet heeft gedaan wat de Messias moet doen? De oplossing wordt de verwachting van zijn terugkeer. Alles wat in zijn leven niet vervuld werd, wordt verschoven naar de toekomst. Deze strategie past in een breder joods patroon: ook rond figuren als Theudas, Judas de Galileeër en vooral Bar Kochba ontwikkelden zich pogingen om mislukte messiaanse claims theologisch te herinterpreteren.
De rabbijnse traditie verzet zich echter fel tegen de latere christelijke Christus-theologie, die Jezus verheft tot pre-existente God-mens en zijn nederlaag tot kosmische overwinning maakt. Voor de rabbijnen blijft de Messias een mens, geen goddelijke figuur, en moet messiaanschap worden beoordeeld op historische daden, niet op toekomstige beloften.Zo ontstaat een diepe spanning tussen twee beelden van Jezus: de historische, tragische mens die probeerde Messias te zijn maar door God niet werd bevestigd, en de Christus van de kerk, de hemelse verlosser die eens en voor altijd de zonde heeft weggenomen. In die spanning ligt een fascinerend verhaal over roeping, mislukking, herinterpretatie en de kracht van religieuze verbeelding.
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
Lo tachmod en lo tit’aveh — De halachische psychologie van verlangen en de klassieke commentaren
2026/02/20
Het onderscheid tussen lo tit’aveh en lo tachmod vormt een van de meest subtiele morele structuren in de Thora. De rabbijnse traditie leest deze twee termen niet als synoniemen, maar als twee stadia in een psychologische keten: het innerlijke verlangen en het daaropvolgende plan om het object van dat verlangen te verwerven. De Sefer HaChinuch maakt dit onderscheid scherp: lo tit’aveh (Deut. 5:18) verbiedt het koesteren van verlangen in het hart, terwijl lo tachmod (Ex. 20:14) het uitvoeren van een plan verbiedt om het begeerde object te verkrijgen, zelfs wanneer dat via ogenschijnlijk legitieme middelen gebeurt.
Het laatste gebod van de Decaloog vormt een opmerkelijke verschuiving van het uiterlijke naar het innerlijke. Waar de voorafgaande geboden handelen over daden die zichtbaar zijn voor de wereld, richt het verbod op begeren zich op een beweging van het hart. De Sefer HaChinuch maakt van deze verschuiving een verfijnde juridische en morele architectuur door lo tachmod en lo tit’aveh niet als één, maar als twee afzonderlijke verboden te tellen. Daarmee wordt het innerlijke leven van de mens niet slechts moreel beoordeeld, maar halachisch gearticuleerd.
Exodus spreekt over lo tachmod, het begeren van het huis, de vrouw, de dienaren en de dieren van de naaste. Deuteronomium herhaalt het gebod, maar met een andere term: lo tit’aveh, het verlangen. De rabbijnse traditie heeft deze dubbele formulering nooit als stilistische variatie gelezen, maar als een intentionele differentiatie. De Sefer HaChinuch volgt deze lijn en stelt dat lo tit’aveh het koesteren van verlangen in het hart verbiedt, terwijl lo tachmod het uitvoeren van een plan verbiedt om het object van dat verlangen te verwerven. Het innerlijke verlangen en de uiterlijke daad zijn dus niet twee graden van hetzelfde kwaad, maar twee afzonderlijke overtredingen die elk op zichzelf staan. Het verlangen leidt tot het begeren, maar de Thora verbiedt beide stadia onafhankelijk van elkaar.
De klassieke commentaren ondersteunen deze tweedeling, maar elk vanuit een eigen hermeneutische gevoeligheid. Rashi leest lo tachmod als een verbod dat pas wordt overtreden wanneer men daadwerkelijk handelt om het begeerde object te verkrijgen. Voor hem is het niet de gedachte die verboden is, maar de poging om het object te verwerven, zelfs wanneer men daarvoor betaalt, zolang de eigenaar onder druk werd gezet. Rashi’s lezing sluit nauw aan bij de halachische traditie die Deuteronomium 7:25 als bewijs gebruikt: begeren wordt pas overtreden wanneer men het object “neemt”, zelfs wanneer men het via een schijnbaar legitieme transactie verkrijgt.
Sforno legt de nadruk op de innerlijke gerichtheid van het verlangen. Voor hem is lo tit’aveh geen verbod op spontane impulsen, maar op het cultiveren van een verlangen dat zich richt op wat niet toebehoort. Verlangen is voor Sforno geen reflex, maar een keuze: een mens kan zijn hart richten op wat hem toekomt, of op wat hem niet toebehoort. Lo tit’aveh is in zijn lezing een oproep tot innerlijke vrijheid, een discipline van het hart die voorkomt dat de mens zich laat meeslepen door de aantrekkingskracht van het bezit van de ander.
Ramban biedt een synthese die zowel psychologisch als theologisch is. Hij stelt dat lo tachmod niet slechts een verbod is op het nemen van bezit, maar op het ontwikkelen van een verlangen dat zo sterk is dat het tot actie leidt. Voor Ramban is het verboden verlangen niet de vluchtige gedachte, maar het verlangen dat men vasthoudt, cultiveert en omzet in een plan. Zijn lezing maakt duidelijk waarom de Thora beide stadia afzonderlijk verbiedt: het verlangen is de wortel, de daad de vrucht. Door beide te verbieden, snijdt de Thora het kwaad af bij de bron én bij de uitwerking.
Ibn Ezra gaat nog verder en stelt de vraag die elke moderne lezer stelt: hoe kan de Thora verlangen verbieden? Verlangen lijkt immers een spontane beweging van de menselijke psyche. Zijn antwoord is even eenvoudig als diepzinnig: een mens begeert slechts wat hij als bereikbaar beschouwt. Een boer kan de vrouw van zijn buurman begeren, maar nooit de prinses van het koninkrijk. De Thora gebiedt daarom niet het onmogelijk maken van verlangen, maar het herstructureren van de perceptie van wat “bereikbaar” is. Wanneer men werkelijk gelooft dat God de bezittingen van ieder mens heeft toegewezen, wordt het bezit van de ander even ver verwijderd als de prinses van de boer. Het verbod is dus niet een onderdrukking van verlangen, maar een heroriëntatie van het bewustzijn.
Wanneer men deze rabbijnse inzichten toepast op Jezus’ uitspraak in Mattheüs 5:28 — “Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd” — wordt duidelijk dat hij niet spreekt over een vluchtige gedachte, maar over een intentionele blik. De structuur van zijn uitspraak is identiek aan de structuur van lo tit’aveh: het gaat om het richten van het verlangen op een object dat jou niet toebehoort. Jezus radicaliseert de Thora niet; hij internaliseert haar op precies dezelfde manier als de rabbijnen, vooral Ramban, dat doen. Hij spreekt niet over de spontane impuls, maar over de intentionele blik die het verlangen activeert. De mens die een vrouw ziet en een gedachte voelt opkomen, overtreedt niets; de mens die haar “aanziet om haar te begeren” — die zijn blik richt, zijn verlangen vormt en zijn hart op een ander richt — overschrijdt de grens die de Thora stelt.
De Sefer HaChinuch verbindt beide verboden aan het bredere verbod op diefstal in Leviticus 19:13. Niet omdat verlangen of begeren zelf diefstal zijn, maar omdat zij de psychologische wortel vormen van diefstal. De Thora kiest er daarom voor om niet het verbod op eigendomsdiefstal in de Tien Geboden op te nemen — dat gebod verwijst immers naar ontvoering — maar het verbod op begeren. Daarmee wordt de morele afstand die men moet bewaren tot het bezit van een ander radicaal vergroot: niet alleen de daad is verboden, maar zelfs de gedachte die tot de daad kan leiden.
De discussie tussen Rambam en Ra’avad over de reikwijdte van lo tachmod illustreert deze spanning tussen innerlijk en uiterlijk. Rambam stelt dat zelfs wanneer de eigenaar uiteindelijk instemt met de verkoop, de koper het verbod overtreedt als hij hem onder druk heeft gezet. Ra’avad daarentegen beperkt het verbod tot gevallen waarin de eigenaar niet instemt en het object wordt genomen alsof het diefstal betreft. Rambam legt de nadruk op de intentie en de psychologische dynamiek van dwang; Ra’avad op de juridische status van de handeling. Beide posities tonen dat lo tachmod zich op het grensvlak bevindt van ethiek en recht, van innerlijk en uiterlijk, van verlangen en daad.
Het verbod op verlangen en begeren is daarmee geen ascetische oproep tot emotionele onderdrukking, maar een verfijnde morele pedagogie. De Thora erkent dat verlangen de motor is van menselijke actie, maar zij eist dat deze motor niet gericht wordt op het bezit van de ander. De mens wordt opgeroepen om zijn verlangens te richten op wat hem toekomt, niet op wat hem niet toebehoort. In deze zin is lo tit’aveh de innerlijke discipline die lo tachmod mogelijk maakt, en lo tachmod de uiterlijke grens die lo tit’aveh beschermt.
Het laatste gebod van de Decaloog is dus geen randverschijnsel, maar de voltooiing van de morele orde. Het verbiedt niet slechts de overtreding van de grens van de ander, maar zelfs de eerste beweging van het hart die die grens zou kunnen overschrijden. Het is een gebod dat de mens niet klein maakt, maar groot: het veronderstelt dat hij in staat is zijn verlangens te richten, zijn gedachten te ordenen en zijn hart te vormen naar een hogere maatstaf. In die zin is lo tachmod niet het einde van de Tien Geboden, maar hun kroon.
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
AI Dialoog: de verborgen waarheid achter de pericoop van de overspelige vrouw
2026/02/09
AI-geproduceerde dialoog over de pericoop van de overspelige vropuw.
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
This episode includes AI-generated content.
Is Paulus verantwoordelijk voor de anti-joodse theologie?
2026/02/09
In deze aflevering van Koinonia Bijbelstudie onderzoek ik de vraag of Paulus zelf verantwoordelijk is voor de latere anti‑joodse interpretaties van zijn brieven, of dat de ontsporing vooral te wijten is aan hoe de kerk hem eeuwenlang heeft gelezen. De auteur laat zien dat Paulus in zijn eigen tijd een Joodse denker bleef, trouw aan de Thora en vol liefde voor zijn volk. Zijn scherpe taal over “wet” en “genade” was bedoeld om heidenen toegang te geven tot de God van Israël, niet om het Jodendom af te wijzen. Maar toen de kerk haar Joodse wortels verloor, werden Paulus’ woorden uit hun context gehaald en gebruikt om een tegenstelling tussen kerk en Israël te creëren die hij nooit bedoeld had. Zo ontstond een Paulusbeeld dat haaks staat op zijn eigen intenties. De kern: niet Paulus ontspoorde, maar de geschiedenis die zijn woorden losmaakte van hun Joodse bedding.
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.
This episode includes AI-generated content.
Podcast sponsorship advertising
Start advertising on Koinonia Bijbelstudie Live relevant audience podcasts
You may also like to advertise on these Podcasts

4.8583398
Didn't I Just Feed You
Stacie Billis and Meghan Splawn

4.4503509
Warfare
History Hit

4.8296731988
Fantasy Footballers - Fantasy Football Podcast
Fantasy Football

4.712837549
True Crime All The Time
Emash Digital

4.8160141996
Watch What Crappens
Ben Mandelker & Ronnie Karam

4.639031163
Modern Wisdom
Chris Williamson

4.66201307
True Crime with Kendall Rae
Mile Higher Media & Audioboom Studios

4.73423781
The Ancients
History Hit

4.89130312
The Why Files: Operation Podcast
The Why Files: Operation Podcast

51088171
Middle Children
Jessie Jolles and Chris Burns

